Dag vrienden van de blog!
We kregen doorheen onze trip vaak te horen dat West-Australië echt de moeite was. Wel, de verwachtingen worden meer dan ingelost: het is hier fantastisch mooi. Eerst en vooral moeten we misschien vermelden hoe ‘remote’ (desolaat) het hier wel is. Vaak honderden kilometers rijden alvorens opnieuw een teken van leven te treffen. Dat is prachtig en angstaanjagend tegelijkertijd.
We nemen de draad terug op in Fitzroy crossing. Omdat we toen een akkefietje hadden met onze blue-ie, wilden we zo snel mogelijk naar Broome rijden om hem eens na te kijken. Zo gezegd, zo gedaan. Een 400 tal kilometer later (met enkel een roadhouse op ons pad) kwamen we aan in de ‘koninklijke’ badstad van Australië. Denk dan aan azuurblauw water, parelwitte stranden, kamelenritjes, parelshops en veel zon. Die parels hebben hier altijd een belangrijke rol gespeeld. Zo kwamen Japanners, Chinezen en andere fortuinzoekers eind 19de eeuw parels zoeken. Velen van hen lieten het leven: te lang of te diep onder water. Er is zelfs een apart kerkhof voor Japanners en Chinezen…
Blue-ie kon gelukkig de volgende dag op de operatietafel. Verdict: doorgebrande contacten in de startmotor. Opnieuw een kost, ditmaal slijtage. De auto is oud maar volgens de garagist ziet hij er nog behoorlijk uit. Fingers crossed!
We namen een kijkje op Point Gauntheaume. Een bloedmooi zicht op de Indische Oceaan. Tussen die kliffen zou er ook een bad te vinden zijn die een vuurtorenwachter liet maken voor zijn vrouw die aan artritis leed.
Broome had echter nog meer dan sight-seeing in petto voor ons. Na het ondergaan van de zon (rond 18u10) gingen we naar de Sun Pictures bioscoop, een openlucht cinema. Dat het een goede film was (Mao’s last dancer, aanrader voor de meisjes van Move!) was één, maar de setting maakte het memorabel. Strandstoelen, binnentuin, vleermuizen in de lucht, een vliegtuig vlak boven ons hoofd tijdens de film, oude filmcamera’s, enz. Een tien op tien. Je moest erbij geweest zijn….
En dan terug de weg op. Op aanraden van de Beach Dweller was ons volgende punt op de kaart Cape Keraudren. Daarvoor moesten we een 600 tal kilometer rijden. Opnieuw, slechts één raodhouse onderweg. In de Lonely Planet staat dat de afstanden hier ‘minddizzling’ zijn. Niks is minder waar. Zo’n 15 kilomter dirt raod bracht ons naar de cape. We hadden er de beach en de zee voor ons alleen, enkel te delen met de plaatselijke fauna. Geen water, enkel droptoilet. Maar voor een nacht was het super. Na het eten moesten we wel de camionette invluchten omdat een kangoeroe een beetje té dichtbij kwam. Ze zien er wel lief uit maar andere travellers waarschuwden ons dat de lieve beestjes – wanneer ze zich angstig voelen – kunnen veranderen in killing machines en je met hun nagels kunnen openrijten. Liever safe dus. Zwemmen konden we er helaas niet: stingers, krokodillen en haaien in ‘t water.
We maakten er ondertussen de gewoonte van om flessen kraantjeswater (meestal drinkbaar hier) in te vriezen. Meestal als we het vragen in een raodhouse of camping lukt het wel. De dag erop hebben we ijs om onze eski (frigobox) wat koud te houden. We deden ook al een keer te truc van Jef en Tina: flessen water verstoppen in de freezer van de supermarkt en ze ‘s anderdaags gaan kopen. De dame aan de kassa keek wat raar maar we hadden toch ons ijs
Na de cape stond Port Hedland op het programma. Het is niet veel meer dan een grote industriestad. Alle mineralen uit de talrijke mijnen worden hier verscheept. We hielden even halt om te tanken en op internet te gaan in MacDo. Richting binnenland: Karijini National Park. Een dorstige wandeling doorheen de Dales Gorge, maar views om u tegen te zeggen. Om nog maar te zwijgen van Fortescue Falls.
In Paraburdoo dachten we niet veel te treffen, was het niet dat er een prachtig 50-meter zwembad bleek te zijn. We waren moe van het rijden en een beetje oververhit, de ideale stop. Het viel ons op dat Paraburdoo en Tom Price even tevoren op de weg echt wel leefden in vergelijking met andere outback-stadjes. Van een local kwamen we te weten dat het aan de mijnen ligt (iedereen werkt voor de mijn, er is geld en bijgevolg leeft het stadje…) Even tot rust komen voor we naar Exmouth trokken. Alweer 500 kilometer verder. Onderweg kwamen we ook nog een ‘willy willy’ tegen (zoals de locals het noemen), een windhoos van stof die eruit ziet als een kleine tornado. We werden even uit koers gebracht maar al bij al bleek de angst groter dan de kracht ervan.
En nu komt het. Exmouth met het Ningaloo Marine Park in het Cape Range National Park. Allicht al van het mooiste dat we zagen. Het paradijs op aarde. Turquoise water met koraalrif waar je de zee instapt en gewoon begint met snorkelen. We zagen vissen met de meest diverse felle kleuren, blauwe zeesterren, zee-egels en enkele reuze waterschildpadden! Het park bestaat uit allemaal verschillende baaien waar je kan zwemmen en snorkelen. We bleven er twee dagen en keerden toen terug naar Exmouth center om er op een degelijke camping een douche te kunnen nemen. Kwestie van al het zeezout en -zand weg te spoelen.
Op de camping maakten we ons wat zorgen over de linker achterband die precies een beetje platter was dan de andere drie wielen. Om het zekere voor het onzekere te nemen gingen we binnen bij de “tyre wizard”. Bleek dat hij aan de binnenkant helemaal afgesleten was, je kon stukken band er zo van pellen. Goed dus dat we gecheckt hadden. Het type band van bleu-ie bleek nogal zeldzaam (blijkbaar heeft een vorige eigenaar geopteerd voor een bredere sportvelg) en moest besteld worden in Perth. Het bleek onze lucky day aangezien er nog één zo’n band in stock was. Enkele dagen later kwam er een grote camion met stuff uit Perth en kon de band vervangen worden. Zo gaat dat in afgelegen gebieden…
Nu zijn we aangekomen in Carnarvon. Een leuke stad waar het overdag aangenaam warm is en ‘s avonds goed afkoelt. Dat is heerlijk. Straks vertrekken we weer wat meer naar het Zuiden. Graag willen we rond de feestdagen in Perth zijn. Misschien valt daar wel een jobke mee te pikken.
Adios!
Corleen.
![]() |
| Aussie 2009.12.07 |
