Hello loves and blokes!
De grens met de Northern Territory ligt al een tijdje achter ons, we zijn reeds gearriveerd in Western Australia.
Ondertussen heeft onze blauwe hagedis heel wat kilometers in zijn poten. Veel was er vaak niet te zien, buiten het grote ‘nothing, nothing en meer van dat nothing’ (zoals Robert, onze gastheer in Rainbow beach het zo mooi zei). Erg mooie uitgestrekte natuur, dor gras, af en toe een rots. Australië op z’n best. De temperatuur bleef ook maar stijgen (mas que 40°C), op het lastige af (constant zweten, warm water drinken, geen weg weten met jezelf, de aircoknop niet vinden
). Ondertussen zijn we de hitte meer gewoon. Klagen doen we echter niet: in België is ‘t waarschijnlijk andere koek.
Ok, eens in de Northern Territory bleken de eerder woestijnachtige rest areas (waar we tot nu toe veel gratis konden op overnachten) van veel minder voorzien. Geen drinkbaar water, geen deftige wc’s en zeker geen douches meer. Toen we in de Avon Downs rest area aankwamen (tussen Camooweal en Barkly Homestead) was de hitte niet te doen. Ook al was het al 5 pm, het was puffen geblazen. Leen had echt afkoeling nodig en bij gebrek aan douches mocht Corneel inspringen door een volle bassin gematigd uit te gieten in Leen haar nek. Aan de ene kant van de straat was er de rest area, voor de toeristen, aan de andere kant waren er slaapbarakken voor de grenspolitie. Al bij al sliepen we wel veilig dus (we sliepen op 60 km van ‘t volgende dorp).
De dag erop reden we verder naar Three Ways. In deze roadhouse kochten we een ijskoude fles water en een heerlijke ijskoffie van Daily Farmers. Op Three Ways heb je een T-sprong: je kan kiezen: links naar Tennant Creek en verder naar ‘t hart van Australië of rechts naar Darwin. We puffen verder naar Tennant Creek, een duidelijke bol op de kaart, in werkelijkheid maar één deftige supermarkt rijk. We ontmoetten een gepensioneerde cattle cowboy die zijn tijd nu slijt in de pub, naast de vele aboriginals die maar wat rondlopen op straat.
In Daly waters dronken we een frisse pint om op krachten te komen. De pub ligt naast een vliegveld dat sinds de jaren ’30 dienst doet (in Australië is dit geschiedenis) als fuelstop. Om de plek voor toeristen aantrekkelijker te maken hebben ze de toog volgehangen met prullen van passerende klanten (foto’s, kaartjes, slips, thongs (teenslippers) en zelfs bh’s).
Weer een eind de weg op, Mataranka. Een erg droog stadje met weinig bijzonders, ware het niet dat ze zalige natuurlijke thermal pools (34°C) hebben! Bij 40 graden buitentemperatuur voelt dit aan als een heuse verfrissing. Zwemmen dus tussen de palmbomen, boven ons vleermuizen (fruit bats). ‘s Anderendaags zwemmen we in nog meer natuurlijke thermal springs. Er moest een soort parcours gevolgd worden in het water.
Katherine was de eerste plaats die de naam ‘stad’ waardig is. We wisten het van elkaar zonder een woord te zeggen, na alle budget pasta van de voorbije dagen was het tijd voor een echte, vette hamburger. De vrouw van de tourist information kon ons de Happy Corner aanraden. We kochten er een hamburger ‘with the lot’, met alles erop en eraan dus: burger met ananas, ei, spek, sla, wortels, rode biet, dit alles overgoten met de vetste saus ooit. ‘s Avonds geslapen op een camping in Katherine Gorge. Onze van bleek vol te zitten van de superkleine miertjes die hier talrijk aanwezig zijn (Ginger ants). We haalden de hele van leeg en sprayden de hele boel onder. Omdat dit een redelijk lastig karwei was (heel warm) lieten we enkele dozen buiten staan en sprongen we de poel in. Terwijl we in ‘t zwembad waren aten de plaatselijke kangoos de droge spaghettigstokken en een aardappel op. Zo knoddig zijn ze ook weer niet…. De ochtend erop deden we een korte wandeling, maar ach wat hebben we gezweet…
In de namiddag reden we door naar Kakadu National Park. Eerst nog voorbij de vriendelijke rangers die ons de nodige tips en uitleg gaven (where to go, waar is 2wd mogelijk, waar enkel 4wd?). In een boek van een Hollander lazen we iets in de trend van KakaDON’T, wij vinden echter dat ‘t wel degelijk KakaDO is. In de wetlands van Yellow waters liggen de salties (zoutwaterkrokodillen) steeds op de loer. Je kan ze vanop minder dat 10 meter zien in het wild, net of we meemochten met de cameraploeg van national geografic.
Daarnaast biedt Kakadu ook rotstekeningen van aboriginals, met een goed verduidelijkend museum. Zo uniek als je de verslagen leest van blanke expedities in de bush. Echte bushmensen, die nog iedere dag om eten zochten, die zwerfden met de seizoenen mee. In de aboriginalcultuur zijn dromen heel belangrijk, evenals de band met de natuur. Vandaag echter moet ook de negatieve kant gezien worden: velen Aboriginals hangen rond in steden (Noord en centraal Australië), maken amok onder elkaar en denken er niet aan om vuilnis in de bin te gooien. Bij iedere Australiër waar we mee praten, komt naar boven dat dit vaak een sad story is. In Jabiru, een plek in Kakadu, mocht onze blauwe hagedis zich laven aan de dure dieselbeek, alwaar we koers zetten richting Darwin. Onderweg geslapen in Bark Hut Inn, een mooie roadhouse, waar je voor 15 dollar value krijgt. Goeie douches, mooi zwembad, een stukje cultuur in de bush.
Bij aankomst in Darwin lieten we de wagen achter in de ondergrondse garage en verkenden de stad te voet. Van Darwin moet je twee dingen weten: een van de weinige plekken in Australië die door de Jappen in WWII gebombardeerd werd én dat de stad volledig verwoest werd op kerstdag 1974 door cycloon Tracy. Voor ons was het verademing om na zoveel bush en desert nog eens een grote stad te zien. Keurige parken, meer winkels en een goed museum. ‘s Avonds kwamen we een gezin uit Wetteren tegen die op wereldreis maakten. Ook doken we ‘s avonds het zwembad in met een Israëlisch koppel (Liron en Gay). Het klikte al snel en uiteindelijk zouden we twee dagen met hen op schok gaan.
Even bezuiden Darwin ligt Litchfield National park,helemaal iets anders dan Kakadu. Veel watervallen en andere locaties waar gezwommen kan worden. Ook nog snel de fameuse termietenheuvels meegepikt (je komt ze hier overal tegen) en dan doorgereden naar Adelaide River, waar we een spotgoedkope camping vonden waar ze ook nog eens goedkoop bier serveerden. We hadden een laatste leuke avond met L&G: de concierge van de camping had die dag een freshie (zoetwaterkrokodil) en een giftige slang gevangen. We mochten de buit aanschouwen, maar waren blij dat hij zich verder over de beestjes ontfermde.
Na het afscheid de volgende morgen (L&G gaan naar ‘t Oosten) trokken we verder naar ‘t Westen toe. In Katherine moesten we een klein halfuurtje wachten tot the Northern Territory weer stroom had om diesel in onze wagen te kunnen gooien. Zelfs Darwin kwam zonder stroom te staan. Lang geleden dat dat nog eens gebeurde in België. ‘s Avonds hielden we halt in Timber Creek. We bezochten Gregory National Park (genoemd naar de zoveelste explorer die meehielp Australië in kaart te brengen). We bezochten de majestueze baobabboom waar Gregory himself zo’n dikke 150 jaar terug de toenmalige datum inkraste. Na de korte dirtroad konden we weer de Victoria Highway op richting Kununurra (eerste stad in West-Australië). Eerst nog door checkpoint moeten rijden waar gecontroleerd werd of we geen vers fruit of groenten over de grens meenamen. We moesten appelmoes van onze zak appelen maken om ze alnog de grens over te krijgen. Na een korte stop in Lake Argyle (waar ze een mooie waterdam bouwden) konden we onze campervan ontplooien in Hidden Valley campground.
West-Australia is erg groot en de afstanden zijn hier overrompelend. Vandaag reden we maar liefst 660 kilometer (was veel is met ons busje) door fantastische landschappen en kwamen we welgeteld één dorpje tegen. In Halls Creek wonen mensen van verschillende aboriginal gemeenschappen, snel doorgereden, meer was er niet te doen. In deze streek zijn heel wat mijnen (zo passeerden we een diamantmijn van Rio Tinto). Niet toegankelijk voor bezoekers, helaas.
We hadden nog een dikke 200 kilometer te gaan toen we even halt hielden om een foto te nemen. Toen we wilden vertrekken, wilde de motor niet. Paniek. We zitten in het grote niks (40 km terug was de eerste village) en de auto doet het niet. Gelukkig hebben we voldoende water en materiaal mee om een paar dagen te overleven, maar toch, je komt het niet graag tegen. We zijn wel lid van de NRMA (wegenhulp) maar dan moet je eerst ontvangst hebben om die te kunnen bellen natuurlijk… We klampten ons meteen vast aan een Nederlander die toevallig op dezelfde plek halt hield. Hij zag meteen dat er een probleem was met de startmotor. Verder kende hij er ook niks van. Maar de lichtjes brandden, dus de batterij was niet plat. Oef. Een garagist leerde ons in een ver verleden een trucje om de auto aan de gang te krijgen indien er lucht in de startmotor zou zitten (de lucht er handmatig uitpompen). Na een poging of vier hadden we prijs en startte Bleu-ie weer. We hebben ondertussen al een keer of vier gestopt en gestart en hij houdt vol. Fingers crossed dus voor de volgende dagen.
We staan nu op een mooie camping in Fitzroy Crossing. Morgen zijn we van plan om in één stuk door naar Broome te rijden (400tal kilometers), kwestie van de auto eens binnen te doen voor een algemene check-up (meer dan 10000 km gereden).
Tot hoors,
vergeet ook niet te klikken op het kaartje van deze blog, we gaan vooruit!
![]() |
| Aussie 2009.11.26 |
